De Bremer stadsmuzikanten

De bremer stadsmuzikantenDe Bremer stadsmuzikanten of ook wel de Bremer Straatmuzikanten is een sprookje van de gebroeders Grimm. Dit sprookje komt in vele verschillende varianten in zowel Europa, als Azië en Afrika. Van dit sprookje staat in Bremen een standbeeld. Er wordt gezegd dat het geluk brengt de beide voorpoten van de ezel tegelijkertijd vast te houden. Je mag echter nooit slechts 1 been vasthouden, want dan zou de ene ezel de andere ezel de hand schudden. De Bremer stadsmuzikanten is ook als sprookje te vinden in de Efteling.

Het sprookje De Bremer Stadsmuzikanten

Er was eens een oude ezel. Zijn hele leven had hij gewerkt voor een molenaar. Op een dag zei de molenaar dat de ezel te oud was om te werken en vervangen moest worden door een jonge en frisse ezel. De ezel wilde zijn lot niet afwachten en besloot muzikant te worden in Bremgen. Onderweg kwam hij een oude hond tegen. Deze was volledig buiten adem. Hij vertelde dat hij moest vluchten voor zijn baas omdat hij te oud was geworden om te jagen. Zijn baas wou hem doden om een jonge hond te kunnen nemen. De hond besloot mee te gaan naar Bremen om muzikant te worden.

Samen gingen ze verder naar Bremen. Onderweg kwamen ze ook een oude kat tegen. Deze was te oud geworden om achter de muizen aan te jagen. Daarom was hij het huis uit gevlucht. De kat sloot zich ook aan bij de Bremer stadsmuzikanten. Een haan die gevlucht was omdat hij anders in de soep zou belanden was de vierde muzikant. Onderweg zongen ze samen een leuk lied.

We zijn al oud maar niet versleten
Een ezel, een hond, een kat en een haan
En wie het vraagt die mag het weten:
Wij kunnen samen de wereld aan!

Maar de weg naar Bremen was lang en toen het donker was besloten ze een plek voor de nacht te zoeken. In het bos zagen ze licht in een huisje. Toen ze bij het huisje aankwamen zagen ze dat het een echt rovershol was. Maar op tafel stonden wel allemaal lekkere dingen. Toen bedacht de ezel een plan. Als we nu eens allemaal op elkaar gaan staan en dan heel hard gaan zingen dan schrikken ze vast zo erg dat ze vluchten. Dan is al het lekkers voor ons. Zo gezegd zo gedaan. Met een oorverdovend lawaai kwamen de dieren binnen. De rovers schrokken enorm en vluchten halsoverkop naar buiten. De dieren deden zich tegoed aan al het eten en daarna beseften ze dat ze ook wel graag wilden slapen. Elke Bremer stadsmuzikant zocht een lekker plekje in het huisje.

De rovers waren inmiddels weer op adem gekomen en dachten na over wat er was gebeurd. Inmiddels was het licht uitgegaan en de rovershoofdman besloot een kijkje te gaan nemen. Hij glipte het huisje binnen keek recht in de ogen van de kat. De rovershoofdman dacht dat kooltjes waren. Maar in plaats daarvan begon te kat te schreeuwen en krabde de rovershoofdman in zijn gezicht. Hij schrok en rende de deur uit. Onderweg beet de hond de rover in zijn been en trapte de ezel hem achterna. In de tuin tenslotte schreeuwde de haan zo hard dat de rovershoofdman nooit meer terug durfde. De Bremer stadsmuzikanten besloten daarop dat ze het huisje wel heel mooi vonden en dat ze eigenlijk niet meer weg wilden. Ze knapten het huisje op en bleven er worden.

De moraal van De Bremer Stadsmuzikanten

De moraal van het sprookje De Bremer stadsmuzikanten is dat je als je samenwerkt veel sterker bent dan alleen en zelfs de engste dingen kunt overwinnen. Natuurlijk helpt het wel dat de rovers worden verdreven. Daarmee krijgt het sprookje een heel leuk einde.

1 reactie op “De Bremer stadsmuzikanten

  1. Het sprookje over De Bremer stadsmuzikanten maakt ook goed op een symbolische wijze duidelijk dat de ezel, hond, kat en haan hierin worden beschouwd als afgedankte mensen die men als oud vuil aan de kant wil gooien en men hun vroegere arbeid niet meer waardeert! Maar dan blijkt soms dat de “oudjes” gezamenlijk nog heel goed in staat zijn om verderfelijke personen weg te jagen zoals de roversbende!

Geef een reactie